Kleine Modelbaanserie 1: 100 sporenplannen

Catalogusnummer: 
B0049

Klassificatie:

Bibliotheek Opslag:

Voorwoord
In deze vierde - opnieuw uitgebreide en herziene - druk worden ,,100 sporenplannen voor kleine en grotere modelbanen" behandeld. De bedoeling van dit boekje is de modelbouwer een serie, volgens een bepaald model gemaakte sporenplannen, ter beschikking te stellen, waardoor speelgoedachtige compromis-oplossingen bij het maken van een sporenplan vermeden kunnen worden. De basisontwerpen ontstonden uit de ideeën en ervaringen van een groot aantal modelbouwers.
Voor de modelbaan thuis zijn er tegenwoordig vier verschillende spoorbreedtes, resp. schalen. Het overgrote deel van onze modelbanen wordt nog steeds gebouwd op schaal ,,h0", dwz. 1:87. Op de tweede plaats komt dan de schaal N - 1:160. Sinds enige jaren is Märklin op de markt gekomen met „Z", schaal 1:220, dit is de kleinste in serieproductie vervaardigde modelbaan en tenslotte is er nog de schaal TT - 1:120, eigenlijk een ideale tussenschaal, die tengevolge van een gering industrieel aanbod weinig aanhangers meer heeft.
De sporenplannen-ontwerpen in dit deeltje zijn oorspronkelijk getekend aan de hand van de maten en afmetingen van het sporen- en wisselassortiment van één bepaalde schaal. Om deze ontwerpen over te kunnen brengen in een andere schaal is elk ontwerp op een raster getekend. Een kwadrant van dit raster heeft bij ,,h0" zijden van 50 cm, bij TT worden die 40 cm, bij N 33 cm en bij Z worden die zijden 25 cm.
De staffel - 50 - 40 - 33 - 25 - komt weliswaar niet precies overeen met de verhoudingen tussen de diverse schalen, maar omdat de industrie in N en Z relatief grotere boogstralen aanbiedt, is deze staffel wel acceptabel. Omdat die N- en Z-modelbanen veel minder plaats innemen dan een h0-baan zou de modelbouwer, die werkt met deze schalen, de grotere mogelijkheden kunnen gebruiken om met de beschikbare grotere boogstralen wat ruimer opgezette emplacementen te bouwen.
De aangegeven maten bij elk plan zijn echter niet alleen daarom slechts richtgetallen. Het benodigde oppervlak hangt niet alleen af van de gebruikte boogstralen maar ook van de toegepaste wisselhoeken. Bouwt men bijvoorbeeld een sporenplan na waarbij men de getekende wisselhoeken van 22,5° of zelfs 30° vervangt door wisselhoeken van 12 en 15°, dan heeft men - vooral bij de stations – heel wat meer ruimte nodig.
,,HO"-sporenplannen met de Märklinwissels met grote wisselhoek en de krappe boogstralen in de sporen zoals Märklin toepast vergen veel minder ruimte dan ontwerpen waarin de tegenwoordig meest toegepaste 15° (1:3,75) wissels van Piko, Fleischmann en andere fabrikanten worden gebruikt. In elk sporenplan wordt aangegeven welke wisselhoek in het ontwerp werd toegepast. In overeenstemming met de meest voorkomende wisselhoek van 15° bij de ,,h0 '- en N-merken zijn de meeste sporenplannen met wissels van 15° getekend. Een wisselhoek van 22,5° resp. 24° wordt toegepast bij Märklin-K-rails en bij de korte Trix-wissels, bij Rokal in TT en bij de korte Minitrix-wissels in N.
Op de zich sterk wijzigende afmetingen van het sporenplan bij het omzetten van de getekende wisselhoeken in andere wisselhoeken moet men wel bijzonder attent zijn. Het verdient aanbeveling vóór dat men met het definitief opbouwen van het sporenplan begint eerst wissels en sporen op de vloer uit te leggen, zodat men zich een indruk van de afmetingen kan vormen.